Avoir ‘l Air

Colonel (Thierry Geoffroy)
i.s.m. Jean de Piepape

Op verzoek van Buro Leeuwarden hield Colonel zich in Leeuwarden bezig met het thema ‘culturele identiteit’. Colonel heeft in het verleden eerder ‘onderzoeken’ gedaan naar de ervaring van de eigen identiteit en de opvattingen over identiteit en uiterlijk onder de Denen (Kopenhagen) en de Duitsers (Hannover). Een serie video’s over deze onderwerpen was de aanleiding voor de uitnodiging aan Colonel om naar Leeuwarden te komen.

Colonel is begin januari een aantal keren in Leeuwarden de straat opgegaan om het publiek de vraag te stellen hoe zij hun eigen identiteit ervaren. Colonel vroeg ze hun identiteit in percentages op een A4-tje te schrijven, waarna hij de ondervraagden met dat velletje papier fotografeerde. Het publiek had de keuze uit percentages Fries, Nederlands of anderszins. Colonel verzamelde niet alleen polaroids van de op straat ontmoette voorbijgangers, maar vroeg hen ook om een haarlok. In het kielzog van Colonel ging een aantal journalisten mee op pad. Zowel de foto als de haarlok worden in de tentoonstelling geëxposeerd.

In Buro Leeuwarden is meer te zien dan de resultaten van het ‘onderzoek’ in Leeuwarden. Op drie monitoren worden video’s van eerdere performances van Colonel vertoond en er hangen pagina’s uit Deense kranten aan de muren van de expositieruimte. De video’s spreken voor zich. Ze laten zien hoe Colonel het publiek op straat benadert, hoe hij omgaat met dat publiek en hoe het publiek op hem reageert. Zijn ontwapenende houding tegenover het publiek en de openheid waarmee hij dit publiek tegemoet treedt, zorgen ervoor dat er geen sprake is van gereserveerdheid naar de kunstenaar. Bovendien speelt de absurditeit van de gevraagde informatie ook dikwijls mee in de houding van publiek naar kunstenaar. Het onderwerp wordt uit zijn alledaagse context gelicht en in een lichtvoetige performance verpakt. Hierdoor lijkt het minder zwaar dan het eigenlijk is. Zo werd in Leeuwarden de vraag naar een haarlok slechts door één geïnterviewde geweigerd. Associaties met DNA-onderzoek en het gevaar van het prijsgeven van privé-informatie aan onbekenden speelden hier blijkbaar geen rol.

Aan enkele wanden van Buro Leeuwarden zijn krantenpagina’s opgehangen.  
De inhoud van de teksten is moeilijk te plaatsen voor iemand die de Deense taal niet kent. Er zijn vijf verschillende categorieën artikelen te onderscheiden. In het verlengde van de wand waar de haarlokken hangen, is een categorie samengebracht met foto’s waarop Colonel weliswaar is te zien, maar het bijbehorende artikel gaat niet over hem of zijn werk. Zo zien we hier een foto van de kinderwagenrace afgedrukt bij een artikel over babysitten. Naast deze categorie hangen krantenknipsels en -pagina’s waarin we een afbeelding van Colonel zien en waarbij het werk van Colonel wordt besproken of bekritiseerd. Hier zien we dezelfde foto van de kinderwagenrace, maar de tekst gaat nu in op de inhoud van het werk van Colonel.  

Naast deze wand hangt een serie krantenartikelen die door Colonel samen met Morten Friis is gemaakt. In deze artikelen figureren zij in de rol van een (komisch) duo, zoals Chip en Chap, Fy en By of Knol en Tot. Zij stellen onderwerpen als bezoekers van popconcerten, een bezoek aan de Marechaussee, of een optreden in een poppenhuis aan de orde. De naastliggende wand toont een verzameling artikelen waarin foto’s zijn opgenomen van Colonel die een foto in zijn hand houdt van een foto van één van zijn performances. Op de laatste wand is weer een serie artikelen opgehangen. Hierin stelt Colonel als de ‘Funny Scientist’ allerlei wetenswaardige zaken aan de orde, zoals de vraag of een mens verandert door te reizen. Een interessant subthema binnen deze verschillende groepen artikelen is het verschijnen van een zelfde afbeelding in verschillende groepen artikelen, bijvoorbeeld de foto van de kinderwagenrace. Soms verschijnt een foto mét origineel bijschrift als een nieuwe foto in een krant. Dan ontstaat er een Droste-effect. De foto  van Colonel in een bepaald T-shirt met een dame naast hem is daar een voorbeeld van.

In elke categorie vervult Colonel een andere rol. Hij verschijnt in illustratiemateriaal bij een verhaal in de media (als anonieme persoon), als kunstenaar (als onderwerp van het artikel), als fictief persoon die een bijdrage aan een krant levert (als deel van en duo dat als medewerker van de krant een verhaal vertelt) en als een van de alter ego’s van zijn kunstenaarsschap (de Funny Scientist, die – in een serie artikelen - een van zijn onderzoeken in de krant uitlegt). Colonel verzamelt afbeeldingen van zichzelf die in de pers zijn verschenen. Bovendien doet hij zijn best om afgebeeld te worden in de krant. Hij heeft dit streven tot een onderwerp van zijn kunstenaarspraktijk gemaakt. Dat onderwerp is zo belangrijk geworden dat Colonels kunstenaarschap er niet meer los van te zien is.

De tentoonstelling in Buro Leeuwarden laat zien hoe Colonel overal in de pers opduikt. Hoe hij de media infiltreert en erin doordringt. Maar daarnaast laat het ook zien hoe de media het kunstwerk veranderen, hoe ze het interpreteren en hoe ze zich beelden toeeigenen. Colonel gebruikt de media, maar ze gebruiken hem ook. In Leeuwarden werd Colonel op de voet gevolgd door journalisten en fotografen.  Nadat hij een vraag gesteld had aan een voorbijganger, een foto had genomen en wat haar had verzameld, werd die voorbijganger nog eens door de aanwezige pers geïnterviewd en gefotografeerd. Volgens Colonel zegt dit iets over het feit dat ‘culturele identiteit’ een politiek thema is waarmee de pers kan ‘scoren’. Maar culturele identiteit valt volgens Colonel helemaal niet te meten, omdat er geen criteria voor kunnen worden vastgesteld.

Het meten van de culturele identiteit biedt Colonel dus ook de mogelijkheid de reacties van de media te meten. Het gedrag van de pers brengt Colonel zo op een nieuw onderwerp: het onderzoek naar de opvatting van de pers over ‘culturele identiteit’.   

Toos Arends
Jan. 2004